Energieplanologie is eigenlijk een dubbel begrip. Energie zou vanzelfsprekend onderdeel moeten zijn van ruimtelijke planning. Door de energietransitie zijn de veranderingen echter zo groot en gaan ze zo snel, dat extra aandacht en samenwerking nodig zijn op het gebied van energie en ruimte.
Energiesysteemplanning en ruimtelijke planning verschillen van elkaar
Planning gaat over kennis: weten hoe, wat, waarover en waartoe. Deze onderdelen verschillen sterk tussen energiesysteemplanning en ruimtelijke planning.
Bij energiesysteemplanning gaat het vooral om vermogens, capaciteiten en prognoses. Het doel is een energiesysteem dat betrouwbaar, betaalbaar en duurzaam is.
Ruimtelijke planning werkt juist vanuit een toekomstbeeld en maakt gebruik van participatie. Het gaat over hectares, vergunningen en plancapaciteit. Het doel is functies op een evenwichtige manier toe te delen, met maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak. Ook de instrumenten verschillen. Daardoor bestaat van nature een verschil tussen het plannen van het energiesysteem en ruimtelijke planning.
Energie als nieuwe tak aan de boom van de ruimtelijke ordening
De energietransitie zorgt ervoor dat bestaande planningsmethoden niet meer altijd voldoende zijn. Het energiesysteem wordt steeds meer decentraal georganiseerd. Daarnaast zijn duurzame energiebronnen minder voorspelbaar dan traditionele bronnen. Tegelijkertijd verloopt de transitie in hoog tempo.
Hierdoor ontstond de afgelopen jaren steeds meer onbegrip tussen netbeheerders en ruimtelijke planners. De bestaande manier van werken bleek niet meer voldoende. Energiesysteemplanners en ruimtelijke planners zochten daarom meer samenwerking en gingen op zoek naar een antwoord op de vraag: hoe dan wel?
De centrale vraag daarbij is: Hoe wordt energie, naast andere ruimtelijke opgaven zoals bereikbaarheid, wonen, brede welvaart, klimaatadaptatie en waterbeheer, onderdeel van de beleidscyclus van de fysieke leefomgeving?
Bron: Transform
Bron: Omgevingswetportaal.nl
De Omgevingswet en haar instrumenten
De Omgevingswet heeft tientallen wetten en honderden regelingen samengebracht in één stelsel. Het doel is om de leefomgeving integraal te benaderen. Thema's zoals wonen, natuur, water, milieu en infrastructuur worden niet langer los van elkaar bekeken, maar in samenhang afgewogen.
Belangrijke uitgangspunten zijn:
- participatie: vooraf meedenken;
- samenwerken als één overheid.
Dit geldt ook voor veranderingen in de fysieke leefomgeving als gevolg van de energietransitie. Ontwikkelingen zoals energieopwekking en energieopslag moeten daarom niet los worden gezien van de infrastructuur waarmee zij verbonden zijn.
Het cyclische proces van de Omgevingswet
Binnen de beleidscyclus van de Omgevingswet monitoren, evalueren en sturen overheden voortdurend bij. Hiervoor gebruiken zij verschillende instrumenten:
- Omgevingsvisie: een integrale strategische visie voor de lange termijn.
- Omgevingsprogramma: een programma met concrete maatregelen om beleidsdoelen te bereiken.
- Omgevingsplan: vervangt het bestemmingsplan en bevat alle regels voor de fysieke leefomgeving binnen een gemeente.
- Omgevingsvergunning: één vergunning voor activiteiten die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving, via het Digitaal Stelsel
- Omgevingswet (DSO).
Inzichten uit de uitvoering en monitoring worden gebruikt om visies en programma's aan te passen. Zo ontstaat een doorlopende cyclus van leren en bijsturen.
Voorbeelden: energie verwerken in ruimtelijke planning
Omgevingsvisie
In de omgevingsvisie staan de doelen en keuzes die richting geven aan de energietransitie.
Voorbeelden van beleidsdoelen zijn:
- een klimaatneutraal energiesysteem in 2050;
- een betrouwbaar, betaalbaar en omgevingsbewust energiesysteem;
- minder energieverbruik.
Voorbeelden van beleidskeuzes zijn:
- energie besparen;
- energie als ordenend principe gebruiken door vraag en aanbod dichter bij elkaar te brengen;
- zorgvuldig omgaan met schaarse netcapaciteit, bijvoorbeeld via netbewuste nieuwbouw en netbewust laden;
- uitbreiding van energie-infrastructuur mogelijk maken;
- keuzes maken over de inzet van energiedragers per sector, zoals mobiliteit, gebouwde omgeving, landbouw en industrie;
- gebiedsgericht werken en samenwerking tussen overheden versterken;
- publieke regie op collectieve warmtevoorzieningen.
Omgevingsprogramma's
Omgevingsprogramma's bevatten concrete maatregelen die bijdragen aan de energietransitie. Deze programma's kunnen gericht zijn op een gebied of op een thema.
Een programma kan bijvoorbeeld speciaal over energie gaan. Tegelijkertijd moet energie ook terugkomen in andere thematische programma's. Daarbij is het belangrijk dat de ruimtelijke gevolgen centraal staan. Alleen dan kan het omgevingsrecht worden ingezet.
Voorbeelden van maatregelen zijn:
- Energie besparen door:
- woningen te isoleren;
- duurzame mobiliteit te stimuleren, zoals openbaar vervoer, fietsen en wandelen.
- Piekbelasting verminderen door:
- netbewuste nieuwbouw;
- netbewust laden;
- afspraken met grootverbruikers over energiegebruik buiten piekuren (vraagverslimming).
Een energieprogramma kan daarnaast maatregelen bevatten voor:
- de inzet van energiedragers volgens de voorkeursvolgorde;
- de aanleg van waterstofinfrastructuur;
- nieuwe energieopwekking, zoals wind, zon en kernenergie;
- de productie van groen gas;
- uitbreiding van energie-infrastructuur;
- planologie van de ondergrond;
- snellere vergunningverlening voor elektriciteitsinfrastructuur.
Gebiedsprogramma's
Gebiedsprogramma's brengen maatregelen uit verschillende sectoren samen binnen één gebied.
Voor een woonwijk kan dit gaan over:
- netbewust en energieneutraal bouwen;
- energieopslag en energieverdeling;
- gezamenlijke voorzieningen, warmtenetten of open bodemenergiesystemen;
- groen en water;
- mobiliteit, parkeren en openbaar vervoer.
Voor een werklocatie kan dit gaan over:
- netbewust en energieneutraal bouwen;
- gezamenlijke energievoorzieningen;
- warmtenetten of open bodemenergiesystemen;
- energieopwekking en groen gas;
- energieopslag en transport;
- groen, water en mobiliteit.
Voor het landelijk gebied kan dit gaan over:
- energieopwekking;
- energieopslag en transport;
- productie van groen gas.
Omgevingsverordening
De omgevingsverordening is het instrument waarmee provincies regels stellen voor de fysieke leefomgeving. Hierin staan bindende instructieregels voor gemeenten. Deze regels kunnen bijvoorbeeld gaan over woningbouw, natuur, landbouw of energie.
Anders dan de omgevingsvisie heeft de omgevingsverordening directe juridische werking. Gemeenten moeten hun omgevingsplan hierop aanpassen. Via de omgevingsverordening kan een provincie daarom actief sturen op de energietransitie en de ruimtelijke keuzes die daarbij horen.