Blokkendozen, puzzels en een groepshug

16-09-2025

De vakantie voorbij, het is ‘de dag van schone schriften en nieuwe etuis’. Op de 4e opleidingsdag van het Leer- en kennisprogramma Energieplanologie sparren de groepjes planologen, juristen en technici van netbeheerders, gemeenten en provincies over hun casussen met verschillende deskundigen.

 

 

Samenwerken aan Energie en Ruimte

De deelnemers van het Leer- en kennisprogramma Energieplanologie werken aan uiteenlopende thema’s, variërend van het energiesysteem in een nieuwe woonwijk, de beste plek voor een 380 kilovolt (kV) hoogspanningsstation, of een aanpak om zo goed mogelijk te kiezen welke investeringen in energie-infrastructuur verstandig zijn. Verschillende onderwerpen met één constante: het is geen sinecure. Later in dit verslag doen we een greep uit de casussen. Energie wordt bespreekbaar in het ruimtelijk domein, zien verschillende deelnemers. “Maar,” zegt energieplanoloog Bart Mulder uit Apeldoorn, “als je er rekening mee moet houden voor de komende honderd jaar vinden we het ingewikkeld. Ik krijg niet altijd gehoor.”

Op de eerdere opleidingsdagen ging het over het landelijk energiesysteem, over de 2e Nota Ruimte. Over de samenwerkingsprocessen in en tussen verschillende organisaties. We zagen de energieplanologische aanpak in Zuid-Holland, de gemeenten Barneveld en Tilburg, en een presentatie van inzichten van het College van Rijksadviseurs.

Vandaag kijken we in de keuken in Utrecht, waar ze als geen ander weten wat netcongestie is. Niet gek dat de verbinding tussen energie en ruimte in Utrecht vorm begint te krijgen, met een energievisie in de nieuwe omgevingsvisie, en met wijzigingen in de regels van de Omgevingsverordening.

De waarde van het pMIEK

Wouter Aben, projectleider Netcongestie in de provincie Utrecht, vertelt over het Utrechtse pMIEK (provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur en Klimaat). De ambities voor wonen, werken en mobiliteit zijn het vertrekpunt. Welk vermogen heb je nodig om ze waar te maken? Richting 2050 wordt verwacht dat de piekvraag met een factor 3 á 4 toeneemt. Hoe meer je combineert met opwek, opslag, bufferen, verschillende energiedragers en slimme sturing, hoe minder transportcapaciteit nodig is. "Met extra modaliteiten vlakt de groei van het gevraagde elektrisch vermogen af," zegt Wouter. Voor de korte termijn (tot 2035) zijn in het pMIEK 2.0 zes nieuwe hoogspanningsstations toegevoegd, naast bestaande projecten. Voor de fase daarna wordt verkend wat nodig en mogelijk is met verkenningsprojecten voor waterstof, elektriciteit en warmte. Hiermee wordt onderzocht welke rol waterstof kan spelen in de industrie, de piekvoorziening van elektriciteit en de collectieve warmtevoorziening. Kun je investeringen in elektriciteitsinfrastructuur voorkomen als je meer piekvermogen lokaal produceert? Hoe verhouden die kosten zich tot het uitbreiden van het Utrechtse hoogspanningsnet? De stelling van Wouter: 'Het pMIEK heeft grote waarde voor energieplanologie.' "We hebben geleerd dat slim omgaan met elektrificatie noodzakelijk is om in de toekomst aan de piekvraag te kunnen voldoen."

pMIEK niet ruimtelijk vertaald

Rogier Pronk, transitiemanager Energiesysteem bij Stedin, geeft een inkijk in de gezamenlijke Netvisie van Stedin en TenneT. Dit stuk verscheen later dan het pMIEK, het is ermee verweven en omvat een doorrekening van de netimpact van verschillende systemen, het optimale scenario en het ruimtelijk beeld. Het ruimtebeslag van de nieuwe energieinfrastructuur varieert van 19 tot 30 voetbalvelden voor hoogspanningsstations, en 8 tot 25 voetbalvelden voor middenspanningsstations, plus alle kabels en leidingen die nodig zijn. "Het is allemaal niet gering," zegt Rogier, "maar als je als planoloog naar het omgevingsloket gaat om te zien welke programma’s er al zijn, staat het er niet in. Het pMIEK is ruimtelijk nog niet vertaald." Zo gezien is de stelling dat het pMIEK belangrijk is voor energieplanologie, onjuist. Wat vinden de deelnemers? Aarzelend steekt een aantal een hand op. "Het zegt me weinig," zegt er een. "Zou het van waarde moeten zijn, of ís het zo?" Iemand anders vertelt dat hij bezig is met warmteprogramma’s. "In het pMIEK staat dat warmte de voorkeur geniet, dat helpt mij. Maar het ruimtebeslag daarvan is niet inzichtelijk."

Rogier maakt een vergelijking met de planning van mobiliteit. Het MIRT (Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport) van overheden en transportpartijen, is opgenomen in de omgevingsvisies, infrastructuur wordt beschermd. "Die werkwijze is ook passend voor het pMIEK," zegt Rogier. "Al lijkt het soms of netbeheerders stations proberen te krijgen waar het gewoon niet kan, bijvoorbeeld in het UNESCO Werelderfgoedgebied Hollandse Waterlinies bij de locatie Utrecht Noord." Tegelijk ziet hij ook dat partijen elkaar beter op de radar krijgen. "Er komt meer draagvlak voor de opgave van energieinfrastructuur."

Puzzelen in de operatie

Hans Hubers, beleidsadviseur Ruimtelijke Ordening bij de provincie Utrecht, toont een puzzel van kleurige blokjes in talrijke vormen. Het is het wiel met de verschillende thema’s van de Omgevingsvisie. Sinds 2021 is duurzame energie een taartpunt in het diagram. Het moet bijdragen aan een gezonde en veilige leefomgeving. In de afgelopen jaren zijn de ontwikkelingen snel gegaan. "Dit leidt op onderdelen tot een heel nieuw verhaal," zegt Hans. "Een paar jaar geleden was het nog louter: ruimte bieden aan duurzame energie, nu zien we steeds beter hoe ingrijpend de energietransitie is." De ruimtelijke vertaling van de regionale energiestrategie (RES) is al uitdagend. De ruimtelijke opgaven van het energiesysteem van 2050 zijn nog veel groter. En dat gecombineerd met alle andere thematische opgaven (zoals natuur, water, wonen en werken) leidt tot een stapelkaart die zo vol is dat hij eigenlijk onleesbaar is. "Hoe krijg je alles bij elkaar gebracht? De uitbreiding van 380 kV en 150 kV stations, locaties voor kleinere stations, het tracé voor een waterstofbackbone, de RES-afspraken, enzovoorts." Alles moet samenkomen in de nieuwe omgevingsvisie en -verordening. De regels worden geactualiseerd voor energieinfrastructuur, en de toepassing ervan uitgebreid naar geothermie, opslag, transport en transformatie. Gevoelige materie, die nu volop aan de gang is.

De provincie onderscheidt verschillende deelgebieden met kenmerkende landschappelijke waarden, zoals openheid, tegengaan bodemdaling of natuurontwikkeling. De volgende laag van denken is het combineren van opgaven, het bepalen van ‘maatgevende opgaven’, en kijken naar de samenhang; hoe weeg je bijvoorbeeld de positie van de landbouw tot verstedelijking? Of natuur, water en bodem? Hoe kun je energieinfrastructuur een plek geven in waardevol landschap?

De stelling die Hans aan de deelnemers voorlegt: 'In mijn werkgebied is de ruimte vraag van huidige en toekomstige energie-infrastructuur voldoende in beeld, én geborgd.’ De strekking van de reacties is dat het gesprek tussen de sectoren op gang komt, maar van ‘borging’ is nog geen sprake. De provincie Utrecht initieert als eerste stap de Energietoets, naar analogie van de Watertoets. De toets schrijft voor om bij de planvorming er rekening mee te houden of de wijk kan worden aangesloten, dan wel het energiesysteem mee te ontwerpen. De toets geldt voor plannen van minimaal tien woningen. De motivering van het omgevingsplan moet een energieparagraaf bevatten en een verslag van het overleg met de netbeheerder. De volgende stap is netbewuste nieuwbouw, het energiesysteem mee-ontwerpen met het nieuwbouwproject. In het Interprovinciaal Overleg (IPO) wordt gesproken over het landelijk invoeren van een energietoets voor woningbouw, al dan niet via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB).

Tussen droom en daad staan wetten en praktische bezwaren

Hoe logisch het ook is, te sturen op energiebehoefte en de ruimte voor infrastructuur, de wet- en regelgeving loopt achter op de praktijk. Zo mag de netbeheerder nog geen onderscheid maken in wie er wordt aangesloten, evenmin is er mogelijkheid om netcapaciteit te reserveren of te variëren met contractvormen. De bestaande Energiewet sluit nu nog uit dat Provinciale Staten en gemeenteraden regels stellen in het belang van de energievoorziening. Er wordt gewerkt aan AMvB’s (aanpassingen c.q. uitbreidingen van de wet) om dit te veranderen. Zo kunnen decentrale overheden dan bijvoorbeeld eisen stellen aan netbewust bouwen. Rogier Pronk (Stedin) ziet het zo dat ‘elke ruimtelijke ontwikkeling zou moeten verantwoorden welke energiesysteemkeuzes er gemaakt worden.’ De belangrijkste take away van het hele verhaal is een plaatje van een groepshug. "Alles staat of valt met goede samenwerking, vertrouwen en met alle partijen beelden en data delen."

Blokkendoos

Nienke Maas (TNO) herkent dit vanuit haar ervaring met het programma Ruimte voor de Rivier. "We hadden planologen en ingenieurs, die langzaam beter elkaars wereld leerden begrijpen." Ze onderschrijft daarnaast de les van de blokkendoos. "Enerzijds hadden we veel niet-natuurlijke constructies voor waterveiligheid, anderzijds vanuit het gebied veel opties voor andere maatregelen. De blokkendoos hielp bij het puzzelen met maatregelen en effecten, de mensen in het gebied gingen het steeds meer begrijpen. Maak een blokkendoos van infra, opslag en slimme energiesystemen." Laura Spanjer (VNG) reageert dat het belangrijk is om al aan de tekentafel een jurist te betrekken. "Die kent de knelpunten, en ook de Europese richtlijnen waarin veel tools zitten om de energietransitie vooruit te helpen." Peter Ros (RVO) benoemt de spanning tussen de energiehoofdstructuur en het gebiedsgericht werken, en het belang van uitwisseling.

Pitch deskundigen

Na de lunch gaan de groepen in drie rondes sparren met verschillende deskundigen. Drie keer is er een run waarbij ze kunnen proberen het kaart van de deskundige naar keus te bemachtigen. De deskundigen treden deels ook op als groepsbegeleiders. Ze introduceren zich in een korte pitch.

Bekijk hier het overzicht van de voorgestelde experts.
  • Marc van de Ven (IPO, voorheen provincie Brabant): Alles wat je tegenkomt in vraagstukken van samenwerking tussen bestuurlijke partners, ruimtelijk ontwerp infrastructuur, participatie en gebiedsontwikkeling.
  • Peter Ros (RVO, programmamanager Gebiedsgerichte energieprojecten): Wind op zee, kerncentrales en het Hoofdlijnenakkoord en KGG programma Energiehoofdstructuur. Ook bezig met ondergrond en geothermie.
  • Laura Spanjer (VNG, jurist): De Energiewet, Omgevingswet, ACM Codebesluiten, waaronder maatschappelijke prioriteren. Daarnaast kennis van participatie, lokaal eigendom en Europese richtlijnen.
  • Nienke Maas (TNO): Alles over mobiliteit en water, hoe maak je energiebeeld van ruimtelijke ontwikkeling? Hoe komen pMIEK en energievisie tot stand? Afstemmen besluitvormen ruimte en energie.
  • Rana Berends (Enexis): Het veranderen en werken uit verschillende perspectieven, van het beschilderen van elektriciteitshuisjes tot energieplanologie.
  • Margreet van der Woude (CE Delft/VNG): Veel ervaring bij gemeenten. Niet enkel inpassen energieinfrastructuur, ook kennis van hoogspanningsnet en middenspanningsnet, en wat gemeenten zelf kunnen doen om ontwikkelingen mogelijk te maken, bijvoorbeeld netbewust bouwen en zoeken naar lokale balans.
  • Laurens Gijsbers (RVO): Werkt aan integraal programmeren, doet promotieonderzoek naar de rolverandering van overheden door de energietransitie, ook in relatie tot bewoners en bedrijven.
  • Martijn Gerritsen (Radboud Universiteit, docent en onderzoeker): Inzicht in samenwerken gemeenten, provincies en netbeheerders. Voor promotieonderzoek in veel organisaties mensen gesproken. Zet nieuw keuzevak op: strategische energieplanning en governance. Hoe kan ik m’n collega overhalen om met me mee te denken?
  • Vera Boekelman (VNG, beleidsmedewerker Netcongestie): Gespecialiseerd in benchmark, journalistieke en bestuurskundige ervaring, sparringpartner, uitpluizen vraagstukken.
  • Rogier Pronk (Stedin): Van huis uit planoloog, deskundig op terrein van warmtesystemen en omgevingsrechtelijk sturen.
  • Sanne Roemen (VNG): Combineert kennis van hoe je mensen in beweging krijgt, werkvormen en processen met deskundigheid op het terrein van informatica.
Lees hier een greep uit de casuïstiek.

Gebiedsontwikkeling

De groep ‘South West the Best’ werkt aan de herinrichting van een groot gebied in een gemeente. In de energievisie wordt de mix van energievormen verkend. De groep ontdekt steeds meer hoeveel er met verschillende partijen moet worden afgestemd. De keuzes op het terrein van energie beïnvloeden het vestigingsklimaat voor bedrijven. Veel vragen gaan over de rol van de gemeente. Wel of niet een eigen warmtenet? Durft de lokale politiek zulke risico’s aan te gaan? Is er in de gemeente voldoende capaciteit en kennis?

Locatie hoogspanningsstations

De groep KEI West onderzoekt de locatiekeuze voor twee hoogspanningsstations in of rond Breda. Wat komt daarbij kijken? Het trechteren van de zoekgebieden blijkt al politiek. Het vraagt zorgvuldig stakeholdermanagement, van belanghebbenden, overheden, grondeigenaren, inwoners, actiegroepen enzovoorts. De participatieladder is een helpend instrument, evenals de bestaande Regionale Energiestrategie, en de aanpakken die daar zijn ontwikkeld. Het gesprek gaat veel over het samenbrengen van alle inzichten, prioriteren van de vervolgstappen en de rollen en verantwoordelijkheden van alle stakeholders.

Locatie elektrolyser

Het zijn herkenbare vragen voor de groep die onderzoekt wat de beste locatie is voor een elektrolyser in Hoogeveen. Die is onderdeel van een pilot voor een (aardgasvrije) wijk op waterstof. De groep identificeert een keur aan factoren die een rol spelen: sociale, economische, energetische, ruimtelijke, aspecten van toekomstbestendigheid, en de mening van tal van belanghebbenden. Dit landt in één prangende vraag: hoe kun je als lokale overheid de optimale sociaalmaatschappelijke afweging maken?

Programmering bedrijventerrein vanuit energieperspectief

Een groep onderzoekt het programmeren van een bedrijventerrein bij Rotterdam. Hoe kun je dit netbewust doen? Ze komen op vijf sporen: de capaciteit bij individuele bedrijven minimaliseren, energieprofielen op elkaar afstemmen, duurzame opwek en opslag op het terrein bijeen brengen, zorgen voor een seizoensbuffer en innovatie, en (ook) gebiedsoverstijgend werken. Een belangrijke boodschap van deze groep is: energie moet vanaf het begin onderdeel zijn van een gebiedsontwikkeling.

Netbewuste nieuwbouw Bleiszo

Een groep buigt zich over het netbewust ontwikkelen van de gebiedsontwikkeling Bleiszo met 4000 à 5000 woningen en 26 hectare bedrijventerrein. Het is een gebied met een groot warmtepotentieel. In de buurt zijn tal van glastuinbouwbedrijven, de leiding van WarmtelinQ loopt erlangs, en er zijn geothermie bronnen. Een droomlocatie, maar hoe regel je het allemaal? Kun je sturen op het energieprofiel van de bedrijven? Kan de gemeente als grondeigenaar verplicht stellen dat de woningen worden aangesloten op het warmtenet? Wie voert de regie?

Locatie 380 kV station

Een groep onderzoekt de locatiekeus voor het 380 kV station in de Houtrakpolder bij het Noordzeekanaal. Hoe gaan we dit inpassen? Op de locatie staan ook een waterberging en een havenuitbreiding op de rol. De groep zoekt wegen om de oplossingsruimte te vergroten door de opgaven te combineren. Het knelpunt is het enorme aantal gremia en stakeholders dat betrokken is, en de schaarse ruimte.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Irritatie! Is dat goed of juist niet?

Elkaar spiegelen, wat leer je daarvan? Tot slot daagt Martijn Gerritsen (Radboud Universiteit) ons uit. Om beurten doen we zo goed mogelijk de bewegingen van onze buurman/vrouw na. Je moet de ander precies in de gaten houden. Wat gaat diegene doen? Het is een ervaringsoefening voor het proces van samenwerken en integreren in de energietransitie.

Mensen, systemen en organisaties functioneren op hun eigen manier. "Je weet nooit precies wat er omgaat in het hoofd van de ander. Je kunt proberen het te voorspellen en zelf subtiel te bewegen zodat de ander kan reageren," zegt Martijn. "Consensus is geen gegeven, maar je kunt wel beïnvloeden door het uitlokken van irritaties." Martijn schreef hierover het blog ‘Leren door (elkaar) te irriteren’ met de strekking dat organisaties hun werkwijze pas veranderen als er sterke prikkels van buiten komen, zoals netcongestie. "Communicatie tussen organisaties leidt nog niet tot aanpassingen, dat komt door alle blinde vlekken, het is zaak om productieve wrijving op te zoeken. De organisatie anders ontwerpen, nieuwe regels maken, zoals de energietoets of een samenwerking opnieuw inrichten." Martijn benadrukt het belang van elkaar betrekken, contact onderhouden en elkaars taal leren begrijpen.

Bart uit Apeldoorn vindt ‘irritatie’ geen fijn woord, het kan contraproductief uitpakken. Martijn begrijpt het, maar confrontatie en wrijving heb je nodig om de boel in beweging te krijgen.

Afbeeldingen

X (voorheen Twitter)

Bekijk ook

 

 

 

Het Leer- en kennisprogramma Energieplanologie is een samenwerking tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en Netbeheer Nederland, met ondersteuning van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Stuur een e-mail   Volg op LinkedIn   Meld aan voor de nieuwsbrief

     

 

 

Cookie-instellingen