Webinar: lessen uit de evaluatie van het MIEK
Ook aan deze lesdag ging een webinar vooraf. Laurens Gijsbers (RVO) en Martijn Gerritsen (Radboud Universiteit) presenteerden de resultaten van hun evaluatie van het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK). De centrale vraag daarbij was: in hoeverre helpt het MIEK nog om de ontwikkeling van energie-infrastructuur van maatschappelijk belang op tijd mogelijk te maken?
De evaluatie beschreef welke partijen betrokken zijn bij het proces, hoe de samenwerking verloopt tussen overheden, netbeheerders en andere stakeholders, en welke invloed het MIEK heeft op besluitvorming en uitvoering. Ook kwam aan bod hoe het proces zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld. Omdat het MIEK een relatief nieuwe aanpak is, wordt van bestuurders gevraagd om om te gaan met onzekerheden en keuzes te maken voor de lange termijn.
Programmeren als basis voor de energietransitie
De meeste ervaring met deze manier van werken is opgedaan op nationaal niveau, bijvoorbeeld binnen het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK). De afgelopen 4 jaar wordt ook gewerkt met een regionale variant: het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK). In beide programma's worden de belangrijkste ontwikkelingen in het energiesysteem geprogrammeerd en geprioriteerd op basis van maatschappelijk belang.
De evaluatie van het MIEK vormde de opmaat naar het thema van de lesdag: integraal programmeren. Bij integraal programmeren maken overheden en netbeheerders gezamenlijk keuzes over welke ontwikkelingen in het energiesysteem prioriteit krijgen en wanneer deze worden uitgevoerd.
Dit gebeurt op nationaal niveau via het MIEK en de afgelopen jaren ook steeds vaker op provinciaal niveau via het pMIEK. Zo worden investeringen in energie-infrastructuur beter afgestemd op maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkelingen.
De lesdag was verdeeld in 4 inhoudelijke blokken.
Blok 1: Integraal programmeren en de praktijk van het pMIEK
In het 1e lesblok nam Laurens Gijsbers de deelnemers mee in het proces van integraal programmeren, zoals dat nu wordt toegepast binnen het pMIEK.
Daarna gingen de deelnemers in kleinere groepen met elkaar in gesprek over de uitkomsten van de evaluatie. Welke punten herkenden zij uit hun eigen praktijk? En welke verbeteringen zijn mogelijk?
Vervolgens maakten de deelnemers gezamenlijk een overzicht van alle overlegstructuren waarin zij actief zijn. Dat liet zien hoe omvangrijk en verweven de samenwerking rondom energie en ruimtelijke ontwikkeling inmiddels is.
Blok 2: Samenwerken in de praktijk: barrières en oplossingen
In het 2e deel van de ochtend stond een aantal barrières centraal die deelnemers vooraf hadden genoemd bij hun inschrijving voor de opleiding. De vraag was welke oplossingen of handelingsperspectieven er zijn en hoe partijen hier beter mee om kunnen gaan.
Veelgenoemde knelpunten waren:
- ruimtelijke plannen en energieplannen sluiten onvoldoende op elkaar aan;
- onduidelijkheid over rollen en verantwoordelijkheden tussen overheden;
- onvoldoende begrip voor elkaars taal, belangen en werkwijzen;
- samenwerking die inhoudelijk goed verloopt, maar vastloopt door bestuurlijke of maatschappelijke weerstand.
De gesprekken maakten duidelijk dat veel organisaties tegen vergelijkbare uitdagingen aanlopen en dat wederzijds begrip een belangrijke voorwaarde is voor goede samenwerking.
Blok 3: Een praktijkvoorbeeld uit Stichtse Vecht
De ochtend werd afgesloten met een presentatie van Lau Bosse van de gemeente Stichtse Vecht. Hij vertelde over de zoektocht naar een geschikte locatie voor een nieuw hoogspanningsstation in Utrecht Noord en de samenwerking daarbij met TenneT en Stedin.
Hoewel dit project vooral gericht is op een urgente opgave op de korte termijn, roept het ook vragen op over de lange termijn. Hoe past deze ontwikkeling binnen het toekomstige energiesysteem van de regio? En hoe zorg je ervoor dat keuzes van vandaag aansluiten bij de behoeften van morgen?
Blok 4: Nieuwe vormen van samenwerken verkennen
Na de lunch verzorgde Sanne Roemen een introductie op de methode 'De Lappendeken' van Hans Vermaak. De deelnemers hadden hierover vooraf een essay gelezen.
De theorie beschrijft verschillende reflexen die samenwerking juist kunnen belemmeren. Een voorbeeld hiervan is de breedoverlegreflex: de neiging om alles met zoveel mogelijk partijen te bespreken, waardoor processen juist kunnen vertragen.
De deelnemers gingen vervolgens aan de slag met nieuwe manieren van samenwerken die beter aansluiten bij complexe vraagstukken. In groepen werkten zij ideeën uit en presenteerden deze aan elkaar.
Elkaar beter begrijpen
Tijdens de middag was er veel ruimte voor uitwisseling tussen deelnemers. Zij bespraken ervaringen uit hun eigen praktijk en reflecteerden op hun rol binnen samenwerkingsprocessen.
Het doel van de dag was niet alleen om kennis op te doen, maar ook om meer begrip te krijgen voor elkaars positie en belangen. Zo kregen deelnemers nieuwe inzichten mee die zij kunnen toepassen in hun eigen werkpraktijk.
Samenwerken als voorwaarde voor energieplanologie
De lesdag maakte duidelijk dat energieplanologie niet alleen draait om techniek, infrastructuur en beleid. Minstens zo belangrijk is de samenwerking tussen de verschillende partijen die samen vormgeven aan het energiesysteem van de toekomst. Alleen door vroegtijdig samen te werken, keuzes af te stemmen en elkaars perspectief te begrijpen, kunnen overheden en netbeheerders de energietransitie succesvol vormgeven.